Adoptie uit Indonesië

Wat is adoptie?

Op 1 november 1956 werd in Nederland de adoptiewet van kracht.
Voor 1956 was het mogelijk een kind als pleegkind op te nemen, maar adoptie was niet mogelijk. Ouders konden hun kind altijd weer opeisen.
Vanaf 1956 kent Nederland een zeer vergaande adoptie, waarbij het kind de status van wettig kind krijgt. Alle juridische banden met de ouders worden verbroken en gaan over op de adoptie-ouders.
Dit betekent dat een kind dat in Nederland wordt geadopteerd de nationaliteit en achternaam van de adoptief ouders krijgt, erfgenaam wordt en dat de adoptief ouders het volledige gezag over het kind krijgen. Na adoptie hebben de biologische ouders geen enkele zeggenschap meer.

In het buitenland wordt adoptie vaak anders uitgelegd. Meestal worden de banden met de ouders niet zo rigoureus verbroken.
Indonesië is hier een voorbeeld van. In Indonesië behoudt een kind nadat de Indonesische rechter de adoptie heeft uitgesproken de Indonesische nationaliteit en naam (ook als de adoptief ouders een andere nationaliteit hebben). De Indonesische adoptie is dus minder vergaand dan de Nederlandse adoptie en lijkt meer op een voogdij-beslissing.

In 1980 bezocht staatssecretaris Haars Indonesië om zich op de hoogte te laten stellen van de internationale adoptiepraktijk. Zij laat tijdens dit bezoek aan de pers weten: “Hier in Indonesië heerst nog wel de gedachte: Ik houd contact met het kind als het geadopteerd wordt door anderen. Maar als zo’n kind naar Nederland gaat is dat zeker niet het geval.”

Een in Indonesië geadopteerd kind moet in Nederland opnieuw geadopteerd worden om de adoptie ook in Nederland rechtsgeldig te laten zijn. Buitenlandse adopties konden niet zonder meer geaccepteerd worden omdat in Nederland adoptie met veel meer waarborgen zou zijn omgeven.

De adoptieprocedure voor kinderen uit Indonesië 1976-1983

De beginseltoestemmingsverklaring

Voordat een kind geadopteerd kon worden uit het buitenland, moest de Raad voor de Kinderbescherming een beginseltoestemmingsverklaring afgeven. De wensouders moesten hiervoor zelf een aanvraag indienen. De Raad kwam bij de wensouders thuis en onderzocht of het gezin geschikt was om een kind te adopteren. Van het gezinsonderzoek werd een verslag gemaakt. Voor de toestemmingsverklaring hanteerde de Raad voor de Kinderbescherming een “ja, tenzij..” principe waardoor de meeste aanvragen werden gehonoreerd.

In de beginseltoestemmingsverklaring werd nadrukkelijk opgenomen dat slechts toestemming voor adoptie werd verleend als: “De ouder(s) en/of wettelijk vertegenwoordiger van het kind afstand heeft/hebben gedaan op ter plaatse geldige en naar Nederlandse normen acceptabele wijze.”

Het duurde erg lang voordat het onderzoek van de Raad kon worden opgestart. In 1978 duurde het soms 2 jaar voordat dit onderzoek was afgerond en in 1983 was dit al opgelopen tot drie jaar.

Bemiddeling

Nadat de beginseltoestemming was afgegeven konden de wensouders contact opnemen met een adoptiebemiddelingsorganisatie of zelf contact leggen met een tussenpersoon die kon bemiddelen bij adoptie.

Pas vanaf 1988 moest de bemiddelingsorganisatie in het bezit zijn van een vergunning (vanaf dit jaar sprak men ook wel over “vergunninghouders” als men het over bemiddelingsorganisaties had). Voor 1988 was er geen vergunning nodig: iedereen mocht bemiddelen. Er waren geen kwaliteitseisen, geen regels, en geen enkele controle. Dit betekent vaak ook dat er geen officiële dossiers zijn bijgehouden. Naast verenigingen en stichtingen waren er ook privépersonen waar men terecht kon voor bemiddeling.

Geboorteakte

Voordat een kind in Indonesië kon worden afgestaan voor adoptie, was het wenselijk dat er een geboorteakte was. Met de geboorteakte moest een afspraak gemaakt worden bij de notaris.
Hier ging het soms al mis en werd een valse geboorteakte gebruikt.

Notaris

Bij de notaris moesten de ouders (of de moeder als geen vader bekend was) afstand doen. De notaris vroeg hen drie keer of zij afstand wensten te doen en hun kind wilden overdragen aan een Indonesische stichting. Deze afstandsverklaring moest in aanwezigheid van getuigen geschieden. Vaak zien we dat personeel in dienst bij de notaris als getuige optreedt en dat ook de contactpersoon van de Indonesische stichting als getuige optreedt. Soms zien we dat er een andere getuige aanwezig is die net als de moeder met “wanita” wordt aangeduid.
De notaris maakte vervolgens een akte op waarin werd vastgelegd dat er afstand was gedaan en dat de voogdij werd overgedragen aan een Indonesische stichting.

De afstandsverklaring werd niet altijd uit vrije wil afgelegd.
In 1979 zegt de Nederlandse consul over de praktijk dat de moeder afstand doet omdat ze de ziekenhuisrekening niet kan betalen: „Een verderfelijke zaak”, “Die moeder tekent natuurlijk niet bewust die afstandsverklaring. Dat doet zij min of meer gedwongen. Dat is misbruik maken van de situatie”.
Ook kwam het voor dat niet de moeder, maar iemand anders die zich voordeed als de moeder, met de baby bij de notaris verscheen en “afstand’ deed. Zo schrijven twee Nederlandse vrijwilligers die werkzaam zijn in een kindertehuis in Jakarta in 1984 over de situatie in Indonesië: “Er worden baby’s gestolen. een ieder kan ermee naar de notaris gaan en zeggen: “Dit is mijn kind. Ik wil het afstaan, want ik ben ongehuwd, ik moet werken, het is een schande voor de familie, etc.” om zo de benodigde stempels en handtekeningen te krijgen.

Als er geen officiële geboorteakte was, kon de notaris ook een akte opmaken waarin de notaris de afstamming van het kind vastlegt. Deze akte kon in plaats van een geboorteakte kon worden gebruikt.

Indonesische Stichting

Pas als dit geregeld was kon de Indonesische stichting voor het kind gaan optreden. De moeder speelde verder in de procedure geen rol meer.
Er waren geen regels waaraan een stichting moest voldoen. In feite kon iedereen een stichting beginnen en de voogdij over kinderen via de notaris op zich nemen. Ook over de opvang van de kinderen waren geen regels. Er was geen controle op deze stichtingen.

Bij de stichting vond vaak medisch onderzoek plaats en werd er, voor zover mogelijk, een “casestudie” gemaakt. Dan werd contact gezocht met een (bijvoorbeeld) Nederlandse bemiddelaar, die aan de hand van de gegevens een passend gezin zocht. De gegevens uit de casestudie zijn zo summier (en blijken overigens soms ook niet te kloppen met de rest van het dossier) dat het onduidelijk blijft op basis van welke criteria werd gekeken of er sprake was van een “passend” Nederlands gezin.

Twee Nederlandse vrijwilligers die werkzaam zijn in een kindertehuis in Jakarta schrijven hier in 1984 over: “Het is onmogelijk na te gaan of de achtergrondgegevens die van een kind verstrekt zijn, inderdaad kloppen met de werkelijkheid. De Indonesische bemiddelende instantie kan, al dan niet te goeder trouw, de haar verstrekte gegevens aan de toekomstige adoptie-ouders doorgeven. In een minder gunstig geval knoeien zij zelf met de papieren. Maar in beide gevallen hebben de ouders geen enkele zekerheid over de achtergronden van hun kind.”

Indonesische ambassade in Nederland

In Nederland werden de beginselverklaring en het rapport van het gezinsonderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming naar de Indonesische ambassade opgestuurd om gelegaliseerd te worden (voorzien van de juiste stempels nadat de ambassade heeft gecontroleerd of de bevoegde instanties het rapport en de toestemmingsverklaring hebben opgesteld. De ambassade controleert de stukken niet inhoudelijk).

Als het kind aan een gezin was gekoppeld werden de papieren van het Nederlandse gezin door de ambassade in Den Haag naar Jakarta opgestuurd.

De Nederlandse ouders kregen bericht dat er voor hen een kind was gevonden. Hoe deze mededeling eruit zag verschilde per organisatie. Ook deze mededeling was erg summier zonder achtergrondinformatie over moeder en kind.

De Nederlandse ouders reisden vervolgens af naar Indonesië. Vaak werd een reis geheel georganiseerd door de Nederlandse bemiddelingsorganisatie. De ouders verbleven samen in het zelfde hotel of pension.
De Indonesische stichting droeg het kind aan hen over door middel van een verklaring bij de notaris. Ook hier waren de Indonesische ouders of moeder niet meer bij betrokken.

De Nederlandse ouders betaalden de Indonesische stichting of contactpersoon voor de overdracht. De hoogte van dit bedrag kon verschillen.

Rechtbank

Daarna volgt de adoptie bij de rechtbank in Indonesië. (Dit was zo geregeld vanaf 1978; voor 1978 kon de adoptie geheel bij de notaris worden afgehandeld). In ieder geval één van de adoptieouders moest (vanaf 1981?) bij de zitting aanwezig zijn.
Ook bij de zitting was de biologische moeder niet aanwezig. Zij had bij de notaris haar kind al overgedragen aan de Indonesische stichting. Deze stichting was wel aanwezig bij de zitting en beantwoordde de vragen van de rechter.

Emigratiedienst

Nadat de rechtbank de adoptie had uitgesproken werd bij de Indonesische migratiedienst een Indonesisch reisdocument afgegeven.

Nederlandse ambassade in Indonesië

Vervolgens werden alle documenten ingeleverd bij de Nederlandse ambassade in Jakarta zodat door Nederland definitieve toestemming kon worden gegeven en een MVV (visum lang verblijf) kon worden verstrekt. De ambassade controleerde de documenten niet inhoudelijk, maar keek alleen of de documenten door de bevoegde instantie waren afgegeven.
De Nederlandse consul destijds, geeft hierover aan “De ambassade heeft geen bevoegdheid om te oordelen of de papieren vervalst zijn of niet. Als de Indonesische rechter de papieren geaccepteerd heeft als authentiek, dan is voor ons de kous af”, “We moeten ons aan het oordeel van de Indonesische rechter onderwerpen. Ik hoef geen geboorteakte van het kind te zien of een afstandsverklaring, dat is een zaak die alleen de Indonesische rechter aangaat. We kunnen ons niet bemoeien met een interne Indonesische zaak”.

Met het Indonesische reisdocument en het Nederlandse visum konden de ouders met hun geadopteerde kind naar Nederland afreizen.

De reis

Tot 1981 (?) was het niet noodzakelijk dat de adoptief ouders zelf bij de zitting aanwezig waren. Het kwam toen vaak voor dat de kinderen werden meegegeven aan stewardessen of aan willekeurige reizigers die naar Nederland vlogen. De kinderen werden dan op Schiphol door hun adoptief ouders opgehaald.

Bij aankomst in Nederland werden de kinderen medische onderzocht. In 1978 schrijven de artsen van de GGD die belast zijn met de controle op reizigers te Schiphol dat er extra aandacht wordt besteed aan kinderen die door Nederlandse echtparen worden geadopteerd vanwege sterfgevallen en ernstige ziektes.

Verblijfsvergunning

Het eerste jaar verbleef het kind op basis van een verblijfsvergunning als pleegkind in Nederland. Deze verblijfsvergunning kon na aankomst bij de vreemdelingenpolitie worden aangevraagd.

Voogdij

Ook de Nederlandse voogdij werd direct na aankomst geregeld bij de kantonrechter.

Nederlandse rechtbank

Na aankomst in Nederland kon men na twee jaar (later na één jaar) het kind ook naar Nederlands recht adopteren en kreeg het daarmee de status van wettig kind en daarmee ook de Nederlandse nationaliteit etc.
Bij deze adoptie was de biologische moeder of de Indonesische stichting niet betrokken.
De Raad voor de Kinderbescherming schreef een rapport over de situatie in Nederland. Op geen enkele manier werd gecheckt onder welke omstandigheden de moeder in Indonesië afstand had gedaan, en hoe zij op dat moment over de adoptie dacht.
Hoewel het duidelijk was dat de Indonesische papieren lang niet altijd klopten, werd hier geheel aan voorbij gegaan.

Documenten ontbreken; een uitzondering voor adoptie van buitenlandse kinderen

Een geboorteakte is van groot belang bij het vaststellen van iemands identiteit. De geboorteakte is het formele bewijs van je bestaan en afstamming, waaraan rechten en plichten worden ontleend (1:22 BW).

Een advocaat meldde in 1983 (?) dat hoewel officieel voor adoptie in Nederland een geboorteakte vereist is, bij buitenlandse kinderen het verzoek om adoptie ook zonder deze akte werd geaccepteerd. De advocaat gaf aan dat bij buitenlandse kinderen die voor adoptie naar Nederland zijn gekomen vaak geen geboorteakte aanwezig was.
Ook een Nederlandse akte van bekendheid (een verklaring bij de Nederlandse kantonrechter afgelegd door getuigen die het kind kennen) die normaal gesproken moet worden overlegd als de geboorteakte ontbreekt, hoefde in de adoptieprocedure bij buitenlandse kinderen niet te worden overlegd. De rechter nam meestal genoegen met de Indonesische akte van bekendheid of het reisdocument.

Leeftijd duidelijk onjuist

Niet alleen was bekend dat de papieren niet altijd klopten of onvolledig waren, zelfs de leeftijd van het kind bleek soms duidelijk onjuist.
Een advocaat meldde bij een voorlichtingsbijeenkomst aan adoptieouders in 1983(?) dat als met deskundigenverklaringen (röntgenfoto’s van het gebit, verklaring van een kinderarts etc.) kon worden aangetoond dat de gegevens met betrekking tot de geboortedatum in de papieren duidelijk niet klopten, de rechtbank de geboortedatum direct wijzigde in het adoptievonnis.
Aanvankelijk had de Officier van Justitie zich weleens tegen zo’n verzoek verzet, maar na overleg is door het Openbaar Ministerie in Groningen toegezegd dat het OM zich niet meer tegen een verzoek om leeftijdswijziging zou verzetten als dit goed was onderbouwd.

Mogelijkheden voor de ouders uit Indonesië

Deze advocaat gaf verder aan dat als de ouders uit Indonesië het adoptieverzoek tegenspreken, de rechter het adoptieverzoek moet afwijzen. Maar:

“Adoptanten van buitenlandse kinderen behoeven niet te vrezen dat de biologische ouders van het kind het verzoek tot adoptie zullen tegenspreken. In de wet staat namelijk dat de rechtbank ouders, welke geen Nederlander zijn en in het buitenland verblijven, niet behoeft op te roepen als blijkt dat het kind reeds door het buitenland als geadopteerd wordt beschouwd door een buitenlands adoptievonnis of indien het blijkt dat deze biologische ouders in het buitenland afstand hebben gedaan van het kind. “

(Photo by Niko Lienata)

Hoe nuttig was deze informatie?

Jammer dat je deze informatie niet zo nuttig vond

Help ons dit te verbeteren

Wil je feedback geven?